Vorige pagina's:
De walrus
Een flinke speklaag, grote slagtanden en een dikke snor: die zijn belangrijk voor een walrus.
Walrussen maken met die lange tanden wakken in het ijs en hijsen
zichzelf ermee op de wal. Ook zijn deze tanden een wapen tegen orka’s
en ijsberen, want die lusten nog wel eens een walrus.
Foto: Greenpeace
Een stofzuiger met een snor
Met die tanden wroet hij ook schelpdieren, zijn favoriete maaltje, uit de zeebodem. De dikke snorharen zijn als voelsprieten, daarmee vindt hij de schelpdieren. En met zijn slagtanden en zijn neus haalt hij het voedsel naar boven. Dan lijkt hij net een grote stofzuiger.
Walrussen zijn geen vissen, maar zoogdieren die in het water én op het land leven. Ze wonen op de Noordpool, waar het wel 40 graden onder nul kan worden. Maar door hun hele dikke speklaag hebben walrussen het nooit koud.
Kuddes
Walrussen leven in grote ‘kuddes’, soms wel met z’n honderden. Ze letten goed op elkaar: als bijvoorbeeld een ijsbeer op één walrus jaagt, komt de hele groep in actie.
Geen grote jacht meer
Vroeger hebben mensen veel op walrussen gejaagd. Ze verkochten het vlees om op te eten, de slagtanden voor het ivoor en de huid voor het leer. Nu zijn er afspraken; alleen bepaalde Noordpool-bewoners mogen op de dieren jagen.